Kerkdiensten en vespers

preekstoel met groen antependium
  Preekstoel

Preken


Aanwezig zijn:
- De preek van 29 augustus 2010 door ds. Piet Kooiman
- De preek van 22 augustus 2010 door ds. Piet Kooiman
- De preek van 11 juli 2010 door ds. Piet Kooiman

Wilt u een oude preek nog eens nalezen? Neem dan contact op met uw webmaster.
KLIK OP BRIEVENBUS webmaster@deark-slotervaart.nl

Als u op welke manier dan ook gebruik maakt van onderstaande preken, wilt u dat ons dan laten weten? Ook reacties op de inhoud van de preek zijn welkom. Dat kan naar:
KLIK OP BRIEVENBUS p.kooiman2@chello.nl.
 


De Jacobuskapel Zondag 29 augustus 2010 Deuteronomium 24 : 17 – 22 en Lucas 14 : 1 - 14

Lieve mensen in de Jacobuskapel,
Gemeente van Christus,

Wat voor weg ga ik?
Ik wil dat mijn leven iets betekent, dat het niet zomaar verloopt, dus moet ik antwoord geven op die vraag.
Dat klinkt door alles heen als je hoort wat Jezus zegt en doet. “Wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden; en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden”. Dat zegt hij aan tafel in een kleine gelijkenis over het gedrag van genodigden. Maar hij zegt daarmee ook iets over zichzelf. Over wie Hij wil zijn.

Hij put uit de bijbel zoals hij die kende. De boeken van Mozes, de profeten, de geschriften. Een klein stukje daarvan klinkt deze morgen ook in deze dienst. Over de rechten van de vreemdeling, van weduwen en wezen. Degenen voor wie niemand zorgt. In de krant en op Internet speelt de laatste weken de oude discussie of de preek ook over politiek mag gaan. Ik zou haast zeggen: als je de woorden over het recht van de vreemdeling hoort dan denkt iedereen al automatisch aan wat er nu in Frankrijk gebeurt met de Roma zigeuners. En aan de discussie over gelijke rechten in Nederland voor mensen met verschillende godsdiensten. Die bijbelteksten spreken zo voor zichzelf dat je er eigenlijk niet over hoeft te preken. Voorlezen is al genoeg. U bent zelf heel goed in staat om te bedenken hoe dat iets zegt over actuele politieke onderwerpen, of dat met elkaar te bespreken.

De verbinding van die tekst uit Deuteronomium met het evangelie is gelegen in het recht doen aan de ander. Het uitgangspunt dat je als mens niet voor jezelf leeft.

De beelden in het 5e Bijbelboek zijn gestempeld door de landbouw. Over de graanoogst de olijven- en de druivenoogst. De strekking is dat je bij de oogst moet bedenken dat wie alles naar zich toehaalt niet beseft dat er ook ruimte moet zijn voor de ander, voor wie niet heeft. Dat is misschien een sociale regel, maar dan wel eentje die alles te maken heeft met godsdienst, met het geloof in de Eeuwige. Met het hart van God. Mozes karakteriseert Hem in datzelfde Bijbelboek zo: “ … die wees en weduwe recht doet en de vreemdeling liefde bewijst door hem brood en kleding te geven” Alsof Mozes wil zeggen: “Zo is mijn God.” Hij heeft oog voor wie in nood is.

Het voorschrift om iets voor de armen over te laten op het veld wordt onderstreept door de herinnering aan de slavernij in Egypte. Je bent zelf slaaf geweest. Dan moet je toch ook kunnen bedenken hoe het voor een ander is om niets te hebben. En bedenk dat je bevrijd bent uit de slavernij omdat de Eeuwige je ellende zag en je noodkreet hoorde.

En dan staat er een man voor Jezus die in nood is. Een waterzuchtige; waarschijnlijk iemand met hongeroedeem. Nota bene bij een maaltijd. Ten hemel schreiend is het.

Jezus staat er om bekend dat hij mensen kan genezen. En daarom staat die man daar voor hem als een levende vraag: Wil mij genezen.
Zou hij het doen? Ze beloeren hem. Het is de zevende dag. Daarop mag je geen werk doen; ook niet genezen. Maar wat is de focus van je blik? Denk je: Mag het wel? Mag het van mijn moeder, van mijn vader, van de publieke opinie, van degenen die het voor het zeggen hebben? Of kijk je met de ogen van het mededogen. Met de vraag wat iemand nodig heeft. Zie je die mens voor je als een geval, als een testcase? Maar het is een mens. Een mens in nood. Dat is ook het sterke van het voorbeeld van die zoon of die os die in de put valt. Niet zomaar een zoon of een os, maar jouw zoon. Ja, dan wordt het persoonlijk en dus anders. Dan ben je ineens wel barmhartig en zie je de ander niet mee als een ding. Dan kijkt de Eeuwige door jouw ogen naar de wereld, naar die ander.

Die ander speelt ook de hoofdrol in de twee stukjes die dan volgen: Over hoe je je opstelt als je bent genodigd op een feest. En over de vraag wie je moet uitnodigen. Het bijzondere is wel dat Jezus dat niet zomaar in het algemeen vertelt maar dat hij degenen aanspreekt over wie het gaat. Want hij ziet dat mensen op die sabbat bij het binnenkomen onmiddellijk kijken met een blik van: waar is de beste plaats. Hoe kan ik een zo voordelig mogelijk positie bemachtigen. En dan weet je natuurlijk dat dat altijd gaat ten koste van een ander. Ach, eigenlijk is het heel herkenbaar. Het gebeurt overal. En toch is het uitkijken met dit verhaaltje van Jezus.

Hij beveelt aan om niet de ereplaats, dat is aan de rechterhand van de bruidegom, maar de minste plaats te kiezen. Dan kun je altijd nog naar voren worden gehaald. Toch, het is een gelijkenis. Stel dat je dat letterlijk zou nemen, dan zou het me toch een gedrang worden om de slechtste plaatsen. En dat allemaal om uiteindelijk een betere plaats te kunnen innemen.

Nee, het gaat er om dat de gast zich realiseert dat de plek die hij zal innemen op het feest niet behoeft te worden bemachtigd, want die wordt hem gegeven. Niet ten koste van de ander maar samen met die ander. De gastheer heeft namelijk oog voor die gast en wil hem graag een goede plaats geven. Dat is het punt.

En weer gaat het ook over Jezus. In het apostolicum belijden we van hem dat hij zit aan de rechterhand van God. Dat is een beeld dat zowel in de evangeliën als ook in de rest van het Nieuwe Testament voorkomt. De Heiland die vernederd werd omdat hij er voor koos niet voor zichzelf te leven, Hij wordt door de Eeuwige verhoogd. “Zet u aan mijn rechterhand.” De plaats die hem wordt gegeven.
Een vrouwelijke collega vertelde op internet, waar het ging over deze lezing, over iets dat ze persoonlijk had beleefd.

Ze vertelde dat ze een jaar of dertig geleden voor het eerst bij haar schoonfamilie in Marokko kwam. Het was daar toen de gewoonte dat wanneer er bezoek van buiten de familie was, de vrouwen met de vrouwen en de kinderen aten in een eigen vertrek. De mannen, met de mannelijke bezoeker, in een ander vertrek. Het ging daarbij om het bewaren van een bepaalde sociale orde. Overeenkomstig die orde ging ze dus bij de vrouwen en kinderen eten. Maar, zo vertelt ze dan, we waren nog niet begonnen aan de maaltijd of de heer des huizes, mijn schoonvader in spe, liet mij roepen. Hij wilde graag dat ik naast hem aan tafel zou zitten. Ik heb dat toen ervaren als heel bijzonder, een genadegave. Het leek of Hij tegen me zei: 'Kom toch dichterbij'.

Ze vertelde dat deze gebeurtenis weer bij haar boven kwam bij het lezen van deze gelijkenis. Ze had zich in het gezin waarin ze te gast was geschikt in de gewoonte van het gastgezin. Ze had zich natuurlijk ook eisend kunnen opstellen. Maar dat deed ze niet. En dat gaf de heer des huizes de ruimte haar aan zijn tafel te nodigen.

Het kan, zo zegt ze nog, het kan in de gelijkenis niet gaan om het verliezen van eigenwaarde of valse bescheidenheid. Maar eerder misschien je zo opstellen dat er iets bijzonders kàn gebeuren.

Ik moest bij de voorbereiding van de preek ook denken aan het feit dat ik vorige week werd uitgenodigd door de Marokkaanse buurtvaders voor de iftarmaaltijd op maandag, aan het eind van weer een dag vasten. Ik weet nog niet zo goed hoe ik dat nu moet verbinden aan die gelijkenis. Maar wel gaat door me heen dat in het feit dat je wordt uitgenodigd iets doorklinkt dat ook klinkt in het evangelie. Je wordt uitgenodigd. Dat is op zich al een geschenk. En als je er mee omgaat als met een geschenk dan is dat op zichzelf al heilzaam. Het zet de verhoudingen aan de maaltijd niet op scherp maar op vrede.

Wie zich vernedert, zal verhoogd worden. Willem Barnard wijst er op dat het niet zonder betekenis is dat dit hele verhaal zich afspeelt op de sabbat. De zevende dag, de laatste dag. Maar van die dag vertelt het scheppingsverhaal dat de Eeuwige hem zegende. Zo wordt die laatste dag de eerste en zo staat de sabbat van meet af aan voor dat wonderlijke gegeven dat in het Rijk van God de laatsten de eersten worden. Niet als wisseltruc maar als consequentie van het zien van God, van de manier waarop hij kijkt. Met ogen vol mededogen.

En wat is dan je beloning? Is het de moeite waard zo te kijken, zo te leven? Jezus zegt: “Nodig de armen, de kreupelen, de lammen en de blinden uit. Dan zult u gelukkig zijn omdat zij niets hebben om u terug te geven, want het zal u teruggegeven worden in de opstanding van de rechtvaardigen.” Ben Hemelsoet wijst er op dat het hier niet gaat om een beloning in het hiernamaals, maar dat het geluk waarvan hier sprake is gelegen is in het feit dat er rechtvaardigen opstaan en daarmee de Rechtvaardige navolgen.

Er zijn in de afgelopen weken heel veel mensen geweest die iets of veel hebben gegeven voor de mensen die in Pakistan in de ellende zitten. Ze kunnen niets teruggeven. En toch maakt het feit dat je iets kunt geven je gelukkig. Het zou wel eens kunnen zijn dat dat komt omdat in het geven het besef meekomt dat je dan iets doet waartoe je bestemd bent door de Eeuwige. En dat je daarin met Hem bent verbonden.

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
 


Jacobuskapel, 22 augustus 2010 Jesaja 30:15-20 en Lucas 13:22-30


Lieve mensen, gemeente, gasten,

Mijn natuurkundeleraar op de HBS zei altijd: domme vragen bestaan niet. Hij moedigde ons daarmee aan om vragen te stellen ook als je bij jezelf dacht dat je vraag wel heel onnozel zou klinken. Maar meneer De Vries nam altijd de gelegenheid te baat om het uit te leggen, je inzicht aan te scherpen en je het gevoel te geven dat je een hele goede vraag had gesteld.

Of Jezus dat nu ook doet is nog maar de vraag. Is het trouwens een vraag om inzicht? Wat is dat eigenlijk voor een vraag: “Zijn het weinigen die gered worden?” Ik moet direkt denken aan de situatie in Pakistan. Je ziet een hulpverlener voor de camera die vertelt dat ze per dag zo’n honderd mensen kunnen helpen terwijl er honderdduizenden op hulp wachten. Woorden schieten tekort om de ellende daar te beschrijven.

Zijn het weinigen die gered worden? Wat is er eigenlijk mis met die vraag? Het is toch van belang de feiten te weten?

Maar voordat we in die richting een antwoord zoeken zou ik eerst het volgende willen weten: Heeft die vraag ook op ons betrekking? Moeten wij soms ergens van gered worden? Nee toch, wij hebben het toch goed?
Of is dat maar schijn, buitenkant. Onderzoekers hebben vastgesteld dat in Nederland één op de drie mensen last heeft van eenzaamheid. Mensen zijn bang voor de toekomst. We durven elkaar niet te vertrouwen en we hebben geen zelfvertrouwen. We hebben last van onverschilligheid of van vijandigheid tegenover vreemdelingen. En hoeveel mensen hebben er geen last van stress, van gevoelens van zinloosheid of onzekerheid. Redding is toch niet zo’n vreemd begrip voor ons! Psalm 70, die we aan het begin zongen, hoeft niet letterlijk van toepassing te zijn. Ons leven wordt niet direkt bedreigd. Hoewel, wij zijn ook maar mensen van de dag en ons leven is eindig. Soms loop je er tegenaan dat het zomaar afgelopen kan zijn. Wie dat werkelijk beseft kan ook de vraag stellen: maar hoe zit het dan met mijn leven? Is alles lucht en leegte, zoals de Prediker zegt of is er meer te zeggen. Is er iemand die mij redt van de zinloosheid? Het is een vraag die je naar de keel kan grijpen.

Wat vertelt Lucas? Jezus is op weg naar Jeruzalem. Dat is het uitgangspunt van dit verhaal. Hij zal Jeruzalem binnengaan in de wetenschap dat daar de profeten worden gedood. Tegelijkertijd is Jeruzalem ook symbool van vrede, van Gods aanwezigheid, van de tempel. Die stad gaat hij straks binnen.

En onderweg vertelt hij van het Koninkrijk van God. Het is als een mosterdzaadje dat tot een struik wordt, een boom waarin alle vogels van de hemel een plek kunnen vinden. Of het is als gist, waarvan maar weinig nodig is maar dat toch al het deeg doortrekt. Het koninkrijk ziet er soms uit als een plek, net als Jeruzalem, soms is het ook een beweging, kwetsbaar maar onstuitbaar.

En het gaat er om of je dat rijk van God binnen wilt gaan. Jezus zegt dat het vlakbij is, als een deur die je maar open hoeft te doen. En dat het de moeite waard is. Want het Rijk van God dat is vrede, gerechtigheid, heelheid, liefde, waarachtigheid. “Gaan er dan maar weinigen door die deur?” vraagt er iemand. Lastig om de achterliggende gedachte daarvan te peilen. Is het angst? De angst van degene die denkt: zou ik er wel bij horen? Of is het een afstandelijke vraag die moet aantonen dat hij echt wel heeft nagedacht over de prediking die hij heeft gehoord.

Het antwoord van Jezus is schokkend. Dat zou best eens kunnen komen door het karakter van die vraag. Als je naar de hoeveelheid vraagt dan kun je ook zo’n antwoord krijgen. Het beeld dat Hij schetst is dat van een smalle deur, of zoals het vroeger heette, een enge poort. En daarvóór een gedrang van heel veel mensen die proberen binnen te komen. Niet rustig wachtend op hun beurt, zoals in deze dagen voor de schepen van Sail, maar werkend met de ellebogen de ander voor proberen te komen. Je zou haast denken dat Jezus hier een karikatuur tekent. Want dát beeld van het koninkrijk past toch helemaal niet bij het beeld van die mosterdstruik met daarin alle vogels van de hemel?

Stel nu eens dat het een karikatuur is, dan zit er in elk geval ook deze boodschap in: Die afstandelijke vraag naar de hoeveelheid verandert niets. Wanneer je als antwoord krijgt dat het er inderdaad weinig zijn (en dat had je al gedacht) wat schiet je daar dan mee op? Het Rijk van God is geen land in het rijtje landen bij aardrijkskunde waarvan je het aantal bewoners kunt tellen. Het Rijk van God, en dat heeft de vragensteller goed begrepen, dat betekent redding.

Zijn het er weinig? Ja, als je de vraag zo stelt dan zouden het er wel eens weinig kunnen wórden. Degenen die er niet bij horen worden door de Heer die de deur gesloten houdt werkers van ongerechtigheid genoemd. Hoe kan dat? Hoe zit dat?

Jezus heeft een radicale boodschap. Neutraliteit, dat kan niet als het gaat om zijn prediking. Want met het koninkrijk van God gaat het om de vraag of je als mens tot je bestemming komt, of de schepping een kans krijgt de chaos voor te blijven. Als er iemand om hulp roept, als Pakistan de wereld om hulp vraagt, dan is afstandelijkheid geen optie: Je help of je helpt niet. Want de vraag die nét buiten het paradijs wordt gesteld klinkt nog altijd: “Waar is je broeder?”, of ook “Waar is je zuster?”. Ben jij een medemens een naaste voor die ander? Een vraag die in duizend situaties kleur krijgt. Alle kleuren van de regenboog.

Het beeld dat aan het einde van dit vraag en antwoordspel wordt geschetst heeft weer het karakter van de ruimte van de gastvrijheid, van de royale ruimhartigheid van de Eeuwige. “En ze zullen komen van oost en west van noord en zuid en aanliggen in het koninkrijk van God.”

Ik heb heel sterk het gevoel dat ons hier wordt duidelijk gemaakt dat de aanwezigheid van God, of het Rijk van God, de vraag oproept hoe je je daarmee zou willen verbinden.

Jezus vertelt dat het Rijk van God een royale aangelegenheid is, dat je wordt uitgenodigd er aan deel te nemen met hart en ziel en dat diezelfde uitnodiging voor iedereen geldt; dat het heel dichtbij is. Als je daaraan vasthoudt dan werkt het als een belofte die troost, als een appel dat uitdaagt en als een bevrijding van datgene waar je aan vast zit of wat je benauwt.

Natuurlijk het vraagt wat van je, misschien wel veel, je moet alle zeilen bijzetten om niet op de klippen te lopen, maar je staat er niet alleen voor.

Jezus stelt het scherp: de mensen die in zijn kleine gelijkenis buiten staan dat zijn nota bene degenen die vinden dat ze binnen horen. “U kent ons toch? U hebt bij ons in de straat onderricht gegeven en we hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken. We zijn, bij wijze van spreken, bijna familie!” Maar de verwantschap die geldt in het Rijk van God heeft een andere basis. Die rust op de goedheid van God die degenen waarvan je het niet zou verwachten de eerste plaats geeft. Laatsten die eerste worden. Wie niet meetelt, zoals Maria zingt in haar Magnificat: Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen verhoogd. De wereld op zijn kop dus, dat is het Koninkrijk van God.

Misschien heeft achteraf gezien die man met zijn vraag aan Jezus wel een hele goeie vraag gesteld. Want daarmee gaf hij Jezus de gelegenheid om te vertellen over het koninkrijk van God en het perspectief daarvan. Over al die genodigden van oost en west, van noord en zuid, die allemaal zijn haven inlopen waar ze welkom zijn.

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
 


De Ark, 11 juli 2010 Timoteüs 3 : 1 – 16; Deuteronomium 30 : 9 – 14

Lieve gemeente,
Hier in de Ark en u die elders
met ons bent verbonden,

Van mensen die een taak op zich nemen mag je iets verwachten.
Maar hoe ver kun je daarin gaan? En waarop is die verwachting gebaseerd?

Mozes maakt aan zijn volk wetten en voorschriften bekend voor ze het beloofde land binnengaan. En juist op het moment dat ze zouden kunnen zeggen: “Mozes! U vraagt wel erg veel van ons!” zegt hij: “Nee, die geboden zijn heel dichtbij (ze liggen voor de hand). U kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kúnt ze volbrengen.” Mozes realiseert zich dat hij veel vraagt van zijn volk, of eigenlijk is het de Eeuwige die dat vraagt, maar het gaat om de kwaliteit van het leven in het land van belofte. Daarvoor mag je ook wel wat doen. Een hoog doel rechtvaardigt een hoge inzet.

Als je de brief van de apostel leest waarin hij zijn opvolger instructies geeft, krijg je hetzelfde gevoel. Degenen die de gemeente leiden moeten wel aan heel veel eisen voldoen. Terwijl het toch ook maar mensen zijn. Vraagt hij niet teveel? De kerkgeschiedenis, zowel de oude als de meest recente, laat zien dat bisschoppen, predikanten, ouderlingen en diakenen ook maar mensen zijn. Als je ze overvraagt dan gaat het juist mis. Kortom, kunnen we deze brief niet beter terug sturen? Retour afzender. Adres onbekend. Zulke perfecte mensen wonen er niet in Amsterdam of waar dan ook.

En dan: het wereldbeeld van de apostel is toch wel een heel andere dan dat van ons en ozne tijd. De leider in de gemeente, laten we zeggen de ouderling, maar wat mij betreft rekent u ook de predikant daartoe, hij moet de man zijn van één vrouw. Wat moet je daarmee als je ongehuwd bent of gescheiden? De vrouwelijke ouderling kan er niets mee en ook homo en lesbienne staan met zo’n eis van geschiktheid aan de kant. En oh ja, degene die de leiding hebben in de gemeente moeten ook hun huis goed weten te bestieren en een waardig gezag uitoefenen over hun kinderen. Laat dat maar eens horen aan een groepje tieners. Ze komen niet meer bij!! Wat een ouderwets gezwets!
Nee Paulus, die brief gaat retour afzender.

Maar wacht even. Misschien zit er toch nog iets in dat vandaag aanspreekt. Toch nog even luisteren. Daarvoor is het wel nodig om eerst vast te stellen dat Paulus, net als elke schrijver, een kind van zijn tijd is.

Als het gaat om de verhouding tussen mannen en vrouwen dan zit hij nog midden in een door mannen gedomineerde wereld. Daarin is hij een kind van zijn tijd. Dat in de gemeente een vrouw als een rabbijn onderwijs zou kunnen geven, daar is Paulus nog niet aan toe. En het heeft veel te lang geduurd voordat we in de kerk inzagen dat het ook anders zou kunnen.

De vraag hoe het praktisch gezien het best kan toegaan moet in de in elke tijd opnieuw beantwoord worden. Elke tijd heeft zijn eigen kenmerken en stelt ook eigen eisen.

Toch is er in het gedeelte van de brief aan Timoteüs dat vanmorgen open ligt iets dat ook vandaag van belang is. Dat de apostel zo sterk neerzet aan welke eisen de leiders van de gemeente moeten voldoen heeft niet te maken met regelzucht maar met zijn zorg om de kwaliteit van de gemeente. Want de gemeente is voor zijn besef iets anders dan een gewone vereniging. De gemeente, zo schrijft hij is de gemeente van de levende God. Het is zijn beweging, het is zijn huis in de wereld. In de tijd van de apostel is die beweging nog maar net op gang. De opkomst van de wereldkerk laat nog eeusen op zich wachten. Maar Paulus heeft op dit punt wel de toon gezet: De gemeente van Christus is een beweging die leeft van een geheim. Een geheim is in dit geval niet iets dat niemand mag weten (iedereen mag het weten), maar het gaat om iets dat kostbaar is, wat je niet mag verliezen. Iets dat je moet bewaren maar dat wonderlijk genoeg ook jou bewaart. In geheim zit het duitse woor Heim, dat thuis betekent. Het geheim van de gemeente is ook dat je er thuis kan komen, welkom bent, je geaccepteerd weet en dat je er daarom thuis kunt zijn.

Paulus zegt, of liever zingt:
En groot is ongetwijfeld het geheim van onze godsdienst:
Hij is geopenbaard in het vlees,
gerechtvaardigd in de Geest,
verschenen aan de engelen,
verkondigd onder de volken,
geloofd in de wereld,
opgenomen in heerlijkheid.

Het klinkt als een lied; het proeft als een geloofsbelijdenis. Paulus denkt aan Jezus. Want die heeft hem te pakken. Of: hij heeft het van Hem te pakken. Paulus is zeer onder de indruk van de liefde van God die in Jezus aan het licht komt. Jezus, die is het voor hem. Een mens die niet zelfzuchtig was maar die zichzelf helemaal gaf. Als ergens aan het licht komt hoe God de mens heeft bedoeld, als ergens duidelijk wordt dat de Eeuwige juist de meest kwetsbare mensen in zijn hart sluit, dan wel in deze merkwaardige figuur. Gekruisigd, volstrekt weggestreept uit de geschiedenis. Maar opgestaan, Gods bewijs van het tegendeel. Bron van hoop.

Als Paulus de impact daarvan wil aangeven dan komt hij aan met een gedicht met een lied. En dat terwijl hij toch de naam heeft de man te zijn van de ingewikkelde redeneringen, de leerstellige betogen. Maar nee hoor: een lied.

En is het niet zo dat een lied vaak veel directer tot je hart spreekt, de snaar kan raken die onder de oppervlakte van je wezen verborgen is? Hier klinkt een lied waarin een geweldige dynamiek zit. En het klinkt als een klok.

Dit is het geheim dat de gemeente bewaart (!). Dat maakt haar tot iets kostbaars. Dan mag je ook wat vragen van degenen die haar leiden. Verantwoordelijkheidsbesef, wijsheid , inzicht, liefde.

Maar vergis u niet. De apostel vraagt dit van degenen die een leidende taak hebben in de gemeente. Omdat ze zo bijzonder zijn? Nee, omdat de gemeente zo bijzonder is. Zo ziet Paulus dat.

En wij?

U begrijpt wel dat het niet kan gaan om de concrete voorschriften van de apostel. Maar wel om de intentie ervan en om de waardering voor de gemeente die er in schuil gaat.

Zijn gedachte, dat de gemeente waarvan wij lid zijn ‘gemeente van God’ is komt niet als vanzelf bij ons boven. We zien deze gemeente als onze gemeente, soms zelf op het bezitterige af. Maar Paulus heeft een heilzame correctie in petto.

En juist dat wat hij in de gemeente ziet maakt haar zo bijzonder. Zij bewaart een geheim dat te maken heeft met de kwaliteit van het leven. De gemeente houdt het besef levend dat er zoiets is als een land van belofte, een samenleving waar mensen tot hun recht komen, een toekomst voor iedereen.

Ik ben er van overtuigd dat de apostel veel vraagt van de leiders van de gemeente maar dat hij het eigenlijk van iedereen zou willen vragen.
Neem je verantwoordelijkheid, ook al heb je nog zo’n kleine taak. Al is het maar dat je niet achteloos aan je naaste voorbij kijkt of gaat. Want om dat soort dingen gaat het in de gemeente. Zij is van de Eeuwige. Net als de aarde.

Met dat geheim kunnen we thuis komen.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.