Kerkdiensten en vespers

Voor de kinderen.


Piet en Niek lezen de kinderen voor.
Piet en Niek lezen de kinderen voor.

Iedere zondag vertelt de predikant een verhaal aan de kinderen.

Aanwezig zijn:

- Kinderverhaal 29 augustus 2010, door ds. Piet Kooiman.
- Kinderverhaal 22 augustus 2010, door ds. Piet Kooiman.
- Kinderverhaal 11 juli 2010, door ds. Piet Kooiman.

Als u op welke manier dan ook gebruik maakt van onderstaande verhalen, wilt u dat ons dan laten weten? Ook reacties op de verhalen zijn welkom. Dat kan naar:
KLIK OP BRIEVENBUS p.kooiman2@chello.nl.

 
 

Peter de Haan.


Peter vond het een spannende dag. De eerste schooldag na de grote vakantie. Hij kwam bij een nieuw meester in de klas.
Toen ze de klas binnen gingen moesten ze allemaal een plekje zoeken. Sommige kinderen wilden graag bij elkaar zitten, dat hadden ze al afgesproken met elkaar. Andere kinderen gingen gewoon maar ergens zitten. Ze zouden wel zien. Peter had bedacht dat hij graag vlak bij de nieuwe meester wilde zitten. Helemaal vooraan. Want, dacht hij, als ik dichtbij zit dan ziet de meester mij het eerst. En als er dan eens een leuk klusje is dan mag ik dat vast doen. Hij ging zitten aan het tafeltje dicht bij de meester en hij zette zijn schooltas op de stoel naast zich neer. Zo, dacht hij, dan komt er niemand naast me. Heb ik lekker de ruimte.

De meester stond voor de klas en zei: “Zo, zitten jullie allemaal waar je wilt?” Bijna iedereen knikte. Maar toen kwamen er nog twee leerlingen de klas binnen. “Wat zijn jullie laat!” zei de meester. Ze knikten en zeiden dat ze de klas niet zo goed konden vinden. “Nou” zei de meester, “volgende keer beter.” Hij kende Marja en Achmed wel. Achmed had heel slechte ogen waardoor hij niet goed kon zien, zelfs niet met een dikke bril; en Marja had een probleem met horen, al vanaf haar geboorte. Als je wat zei dan hoorde ze de helft niet. En ze kon er niets aan doen.

De meester zei: “Kom maar hier vooraan zitten. Deze twee stoelen had ik speciaal voor jullie bedacht. Peter wil vast wel even plaats voor jullie maken.” Peter keek op. Hij voelde zich kwaad worden. Had hij net zo’n mooi plekje voor zichzelf en zijn tas. Hij stond op en zei zachtjes tegen Marja “Dove kwartel” en tegen Achmed stak hij stiekem zijn tong uit. Maar Achmed zei: ‘Dat hoorde ik” en Marja zei: “Dat zag ik”. Toen kreeg Peter een heel erg rood hoofd en ging aan een ander tafeltje zitten, helemaal achter in de klas.

P.K.


Jos en Ruben.


Jos en Ruben waren buurjongens. Maar ze waren geen vrienden.
Ruben kon heel goed voetballen en hij organiseerde altijd partijtjes op straat en op het speelveld in de buurt. Jos was niet zo handig met de bal, maar hij wilde er wel graag bij horen, bij de andere jongens van de buurt. Maar als hij mee wilde doen, dan deed Ruben altijd alsof hij hem niet zag. En daarom deden de andere jongens dat ook. Want Ruben was de leider.
Dat was niet leuk voor Jos.

Een paar dagen geleden mocht Jos mee met zijn oom Peter. Oom Peter had een boot. Daarmee ging hij varen op het IJ bij de intocht van Sail, samen met al die geweldige grote zeilschepen die nu in Amsterdam liggen. Oom Peter kwam Jos ophalen met zijn boot, Want hij woonde aan de Westlandgracht en dus kon hij zo instappen. Jos had er geweldig veel zin en want hij hield van het water en hij wist ook dat oom Peter zou zorgen voor fris en chips en allerlei lekkers.

Toen de boot van oom Peter aan de kant ging liggen om Jos er in te laten kwam Ruben aangelopen. Die had gehoord dat Jos mee mocht varen met Sail. Hij zei tegen Jos: “Hé joh, wil je aan je oom vragen of ik ook mee mag, en mijn vriendjes van het voetballen willen denk ik ook wel mee. Het is een hartstikke mooie grote boot. Plek genoeg.”

“Nou”, zei Jos, “dat vindt mijn oom vast niet goed.” “Ah joh”, zei Ruben, “we kennen elkaar toch? Ik ben nota bene je buurjongen! Die oom vindt dat vast wel goed.” Oom Peter hoorde wat Ruben vroeg en zei tegen Jos: “Wie is die jongen?” Toen zei Jos: “Ja, ik ken hem eigenlijk niet zo goed. Hij speelt altijd met anderen.” “Nou”, zei oom Peter “dat kan hij dan vandaag ook wel gaan doen. Kom op Jos, wij gaan naar Sail.” En hij zette de motor aan.
P.K.


Paulus de inktvis.


Paulus zit aan zijn tafeltje met een lege brief voor zich en een pen in zijn hand.
Paulus is een inktvis en hij moet van zijn baas, de hoofdinktvis, een brief schrijven aan Neptunus. Neptunus is in sprookjes altijd de baas van de zee. Hij heeft altijd een vork met drie tanden bij zich. Dat is zijn staf.
Paulus moet hem een brief schrijven. Neptunus is al oud en heeft niet zo’n goed geheugen meer. Hij heeft tegen de hoofdinktvis gezegd: Ik ben helemaal vergeten hoe de vissen in de zee zich moeten gedragen. En dat moet ik, als koning van de zee toch wel weten. De hoofdinktvis zei toen dat hij wel iemand wist die dat voor hem op zou kunnen schrijven. Paulus weet heel veel en heeft het altijd bij het goede eind, zei hij.

En daar zit Paulus nu. Wat zal hij opschrijven? Hij begint met: “Vissen kunnen het beste in een school zwemmen. Want dat is veel gezelliger. Maar dan moet er natuurlijk wel iemand zijn die de leiding heeft, die zegt wat er in de school moet gebeuren. En waar ze heen moeten zwemmen. Een schooldirecteur, dat is nodig. Maar die kan het niet alleen. Er moeten ook vissen komen die hem helpen. Meesters en juffrouwen die les geven aan de kleine visjes. En er moeten uitkijkvissen komen die waarschuwen als er gevaren dreigen: haaien of vissersboten met grote sleepnetten. En die directeur en zijn helpers dat moeten goede vissen zijn met verstand van de zee en met verstand van het vissenleven. En ze mogen niet inhalig zijn. Want een inhalige vis dat is een schubbejak. Slecht voor de school.”

Paulus moet ook nog iets opschrijven over de kleuren in de zee. Want als je diep in de zee komt dan zie je de mooiste kleuren. Maar Neptunus was helemaal vergeten wat de allermooiste kleur is. En dat wilde hij toch ook wel weten. Paulus krabt zich met een van zijn acht handen die aan een van zijn acht armen vastzit achter zijn oor. Wat was ook weer de mooiste kleur? Hij weet het zelf ook niet zo goed. Was het nou rood of oranje? Ineens weet hij het en schrijft het op: “De mooiste kleur in de diepzee is rood.”

En zo zie je maar dat zelfs Paulus zich kan vergissen.

P.K.